27 april 2020

Tekst overdenking 26 april

Geschreven door Raymond Pichon

Hieronder kunt u de overdenking, zoals uitgesproken door Annemarieke van der Woude tijdens de dienst van 26 april, nog eens nalezen.

 

Gemeente, U allen die luisterend met ons verbonden bent,

153 vissen. En het net scheurde niet.’ Raymond las het zojuist voor ons (Johannes 21,11). En waarschijnlijk bleef u, net als ik, haken bij die 153. Waarom niet 152? 154? Waarnaar verwijst ‘153’?

Het getal heeft de fantasie van vele uitleggers geprikkeld. De meest uiteenlopende verklaringen kwam ik tegen: ‘Het gaat om de 150 kerken die er waren in de tijd van Johannes. Plus de drie in Judea, Samaria en Galilea. Maakt samen: 153.’ Dat vind ik, eerlijk gezegd, niet overtuigend. Hoe wist deze uitlegger zo precies dat er ten tijde van Johannes 150 kerken waren? Het lijkt me een logica die eerder modern aandoet, dan dat deze aansluit bij de situatie in het Palestina van de eerste eeuw.

In pogingen om het getal 153 te verklaren, wordt vaak het getal 17 als basis gebruikt. In het Hebreeuws hebben letters een getalswaarde en de tweeletterige Godsnaam staat voor 17. En als je nu 1 tot en met 17 bij elkaar optelt, kom je tot 153. Augustinus legt dat getal ‘17’ uiteen in tien en zeven: de tien geboden, plus de zeven gaven van de Geest, naar een vers uit Jesaja (Jesaja 11,2-3). Er wordt ook wel geopperd dat het slaat op het gegeven dat in het eerste bijbelboek, Genesis, de Godsnaam 153 keer voorkomt. En een rabbijnse uitleg stelt vast dat het begrip ‘komende wereld’ precies de getalswaarde 153 heeft – dan zou het gaan om de nieuw te vormen geloofsgemeenschap.

Nogal wat commentaren besluiten met de verzuchting: ‘Het blijft gissen.’ Met andere woorden, overvragen we de tekst niet met het zoeken naar een rekenkundige verklaring? Het gaat om een enorme hoeveelheid vis, waarbij het bijzondere is dat het net niet scheurt. Johannes schetst hier een ongewoon tafereel, met Jezus in de hoofdrol..

Het brengt me bij de volgende kwestie: hoe ga je als lezer eigenlijk om met een tekst? Hoe doe je recht aan wat er geschreven staat? Dat klemt des te meer als het gaat om eeuwenoude verhalen. Antieke teksten zijn in zekere zin overgeleverd aan wat de lezer ermee doet. We kunnen Johannes niet meer vragen naar zijn bedoeling met 153 vissen. Een auteur die zich misschien had willen verzetten tegen een verkeerde uitleg of zelfs tegen misbruik van wat hij geschreven heeft – die auteur is er niet meer.

In de hermeneutiek – de studie van de interpretatie van teksten – onderscheidt men een aantal stadia. Iedereen benadert een tekst met een ‘voor-oordeel’. Bedoeld is: een oordeel dat vóórafgaat aan het lezen. Dat klinkt vaag, maar volgens mij gaat het om het gegeven dat je, als je net een dierbare hebt verloren, dan meen je hem of haar op allerlei plekken te zien. Of, als je zwanger bent, zie je alleen maar dikke buiken om je heen. On-bevooroordeeld de wereld waarnemen gaat niet.

Hetzelfde geldt voor een tekst. Je kunt jezelf niet thuislaten als je een tekst leest. Alles wat je ooit gelezen hebt, alles wat jou ooit al is verteld, klinkt mee als jij een tekst tot je neemt. Jij hebt je eigen horizon, maar een tekst heeft dat ook. Het mooiste is als die twee samenvloeien: een horizonversmelting. De beide werelden – die van toen en die van nu – komen samen omdat ze gericht zijn op dezelfde zaak. De zaak waarom het draait, overbrugt de afstand die er bestaat in tijd en in cultuur.

Het betekent ook, en dat is nog wel het spannendste: de interpretatie van een tekst is nooit af. Er is geen definitieve, boven de historie verheven, uitleg. Een nieuwe lezer brengt weer andere, voorgegeven oordelen mee. Wat tot een andere uitleg leidt. Daarom ook kun je een goede roman, een gedicht of een bijbelverhaal steeds opnieuw lezen. Iedere keer valt je iets anders op of word je door iets anders geraakt.

Toen ik het verhaal van de verschijning van Jezus bij het meer van Tiberias weer las (Johannes 21,1-14), werd ik getroffen door het optreden van de geliefde leerling – ‘de leerling van wie Jezus hield’ (Johannes 21,7). De andere leerlingen hebben een naam; deze niet. Het enige wat we van hem weten, is dat hij in liefde verbonden is met Jezus. Hij is de eerste die de man die daar op de oever staat, herkent als Jezus. ‘Het is de Heer!’, roept hij tegen Petrus, die het niet onmiddellijk in de gaten had.

Die twee mannen – Simon Petrus en de geliefde leerling – hadden elkaar al eerder ontmoet, op Paasochtend. Ze snelden allebei naar het graf, nadat Maria Magdalena had verteld dat het leeg was en het lichaam van Jezus weg. De geliefde leerling blijft aarzelend staan, maar als hij, ná Simon Petrus, alsnog het graf binnengaat, is het voor hem genoeg om de linnen doeken te zien liggen: ‘Hij zag het en geloofde’ (Johannes 20,8). Petrus niet. Petrus weet nog niet wat hij ziet.

Die twee mannen. De ene, Petrus, nogal luidruchtig – ik zeg het wat oneerbiedig. Hij had, kort voor Jezus’ kruisiging, luidkeels verkondigd, tot driemaal toe, dat hij Jezus, zijn leermeester, niet kende. En nu, ná Jezus’ dood – bij het graf en aan het meer – lukt het hem niet om Jezus te herkennen. Terwijl zijn metgezel, van wie we alleen maar weten dat hij geliefd was – zijn metgezel gelooft direct dat de gestorven Jezus voortleeft bij zijn mensen.

De zaak waar het in deze passage om draait, en die ons, lezers vandaag de dag, verbindt met de hoorders van het evangelie van Johannes – de zaak waar het om draait, is deze: 

Let op de mensen die geen naam hebben. Let op de mensen die de taal van de liefde spreken. Die, zonder al teveel woorden, in de gaten hebben wat er werkelijk toe doet. Let op mensen die zich gewonnen geven en durven geloven dat er, na de dood, nieuw leven gloort.

Amen

Plaats een reactie





Gerelateerd