30 maart 2020

Tekst overdenking luisterdienst 29 maart

Geschreven door Raymond Pichon

Hieronder kunt u de tekst van de overdenking, uitgesproken door Annemarieke van der Woude in de luisterdienst van zondag 29 maart, nog eens nalezen. 

Gemeente, U allen die luisterend met ons verbonden bent,

Wij zijn over de helft. Volgende week zondag is het al Palmpasen. Het feest van de Opstanding nadert. Maar zover zijn we nog niet. Goede Vrijdag zit er tussen. Dóór het dal van diepe duisternis, naar de morgen van Gods licht.

De psalm die bij deze zondag hoort, de vijfde van de Veertigdagentijd, is Psalm 43 – Lieuwe heeft hem voor ons gelezen. De psalm begint met een verzuchting: ‘Doe mij recht, o God, vecht voor mijn zaak’ (Psalm 43,1). Dát is de kleur van deze dag: een roep om recht en bescherming.

De psalm is verbonden met de oorlogsjaren. In 1941 werden achttien mannen gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. Vijftien van hen waren lid van de verzetsgroep De Geuzen; drie van hen hadden meegedaan aan de Februaristaking. De herinnering aan hen is onder meer levend gehouden door het gedicht dat Jan Campert, de vader van Remco, over hen geschreven heeft: Het lied der achttien dooden. Campert verplaatst zich in hen die in de cel op hun executie wachten. Ik lees enkele strofen uit het gedicht:

Een cel is maar twee meter lang

en nauw twee meter breed,

wel kleiner nog is het stuk grond,

dat ik nu nog niet weet,

maar waar ik naamloos rusten zal,

mijn makkers bovendien,

wij waren achttien in getal,

geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,

van Holland’s vrije kust,

eens door den vijand overmand

had ik geen uur meer rust.

Wat kan een man oprecht en trouw,

nog doen in zulk een tijd?

Hij kust zijn kind,

hij kust zijn vrouw

en strijdt den ijdlen strijd.

(…)

Gedenkt die deze woorden leest

mijn makkers in den nood

en die hen nastaan ’t allermeest

in hunnen rampspoed groot,

gelijk ook wij hebben gedacht

aan eigen land en volk

– er daagt een dag na elken nacht,

voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe’t eerste morgenlicht

door ’t hooge venster draalt.

Mijn God, maak mij het sterven licht

– en zoo ik heb gefaald

gelijk een elk wel falen kan,

schenk mij dan Uw gena,

opdat ik heenga als een man

als ‘k voor de loopen sta.

De kracht, en tegelijkertijd de ondraaglijkheid van dit gedicht zit in de verbeelding: je kijkt mee met de man die zijn sterven voor ogen heeft. De overlevering vertelt dat deze mannen, vlak voordat zij werden terechtgesteld, uit Psalm 43 zongen, in de oude berijming: Dan ga ik op tot Gods altaren (Psalm 43,4). Het is ook dit vers dat gegrift staat in de grafsteen ter herinnering aan hen, in Vlaardingen.

Dan ga ik op tot Gods altaren,

tot God, mijn God, de bron van vreugd;

dan zal ik juichend stem en snaren

ten roem van zijne goedheid paren,

die na kortstondig ongeneugt

mij eindeloos verheugt.

Het verhaal van de achttien mannen geeft aan deze psalm extra gewicht. Het is onbegrijpelijk, én indrukwekkend, dat zij hun dood tegemoet liepen met de woorden van een psalm op hun lippen. Hun leven liep ten einde, maar door te zingen hervonden zij de vreugde in hun hart.

De psalm eindigt prachtig. De ‘ik’ spreekt zijn ziel toe – een interne dialoog:

Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. In de oude woorden: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij?

Aan die woorden hoor je dat Psalm 43 en Psalm 42 bij elkaar horen. Ze klinken daar ook, als een terugkerend refrein (Psalm 42,6. 12). De liederen vormen een tweeluik, die de gang van de ziel beschrijft. De ziel die smacht naar levend water, die heimwee kent om wat was – het samen loven van de Eeuwige – , die onrustig is en terneer gebogen, en die, steeds opnieuw, wordt aangespoord: ‘Vestig je hoop op God. Hij ziet mij. Hij redt mij.’

Als je alleen die laatste woorden zou lezen, klinkt het al snel goedkoop: ‘Hoop nou maar op God. Komt het allemaal wel goed.’ Maar de zeggingskracht van de psalm, of, eigenlijk moet ik zeggen: van beide psalmen, is nu juist dat de ziel zich, door de duisternis heen, een weg heeft gebaand naar het licht. In de woorden van deze tijd van het kerkelijk jaar: het feest van Pasen ontleent zijn diepte aan de overwinning op het lijden, op Goede Vrijdag.

De ontroering die ik ervaar bij het beeld van die zingende achttien mannen op de Waalsdorpervlakte heeft hiermee te maken: dat zij geloven konden dat zij, door de nacht van hun duisternis, zouden treden in de morgen van Gods licht.

Amen

Plaats een reactie





Gerelateerd