5 mei 2020

Tekst overdenking 3 mei

Geschreven door Raymond Pichon

Hieronder kunt u de overdenking, uitgesproken door Annemarieke van der Woude, tijdens de luisterdienst van 3 mei nalezen.

 

Gemeente, U allen die luisterend met ons verbonden bent,

Zeven weken duurt ons nieuwe leven nu al. Ons leven in de anderhalvemetersamenleving. Met weinig fysieke ontmoetingen. Met sociaal afstand houden. Met eenrichtingsverkeer in de supermarkt. Geen concert, geen film, geen terrasje, geen sportwedstrijd. Een leven waarin werk en ontspanning naadloos in elkaar overlopen, omdat het zich allemaal thuis afspeelt. Waarin we het naar de winkel gaan als hoogtepunt van de dag beschouwen – maar dan wel in je eentje.

Een leven waarbij het stil is op straat en filemeldingen tot het verleden behoren. De lucht schoner is. We de vogels vrolijk horen kwetteren. Een leven waarin de volle agenda van velen leeg is geworden en een druk bestaan tot stilstand gekomen.

Dagbladen en televisieprogramma’s worden al tijden gevuld met bespiegelingen over wat deze crisis zal betekenen voor ons toekomstig samenleven. Blijven we zo goed op elkaar letten? Roepen we onverminderd op tot solidariteit met mensen die hun baan dreigen te verliezen, van wie het bedrijf failliet gaat, die door de crisis geen inkomsten meer hebben? Of weten we niet hoe gauw we ons vroegere leventje weer moeten oppakken, en rennen en vliegen we als vanouds van het een naar het ander?

In deze crisis kunnen nadenken over de toekomst is een luxe. Er zijn ook mensen die gevangen zitten in het heden. Zij zijn bang om ziek te worden. Ze worstelen met de onzekerheid over hoe lang dit gaat duren. Zij zitten thuis op elkaars lip en de spanningen lopen op. Zij zijn verdrietig omdat ze een geliefde aan corona hebben verloren. Onrustig omdat hun dagbesteding is stopgezet en ze die vrijheid niet plezierig, maar benauwend vinden. Ze voelen zich eenzaam. Afgelopen week is er zelfs een campagne van de rijksoverheid van start gestaan die mensen oproept om te praten over hun somberheid en angsten. De mentale gezondheid van heel wat mensen wordt door de coronacrisis op de proef gesteld.

Mijn krant – ik maak geen reclame – mijn krant is een rubriek begonnen waarin iemand wordt gevraagd naar een inspirerende zin die hem of haar deze periode vergezelt. Jacobine Geel – misschien kent u haar wel: zij is theoloog en televisiepresentator. Onze nieuwe dominee Joost Röselaers was enkele maanden geleden nog te gast in een van haar programma’s – Jacobine Geel citeerde een dichtregel van Ida Gerhardt: Ik houd het linnen blank. Het is een regel uit Gerhardts gedicht dankzegging (Verzamelde Gedichten, p. 104). 

‘Stug’ is het woord dat bij mij opkomt als ik denk aan de poëzie van Ida Gerhardt. Haar verzen hebben iets weerbarstigs, naar inhoud en naar vorm. En ik heb wel eens begrepen dat er ook in haar persoonlijkheid iets hoekigs was. Behalve voor een paar intieme vrienden, was zij niet gemakkelijk benaderbaar.

Ik houd het linnen blank was de regel van Jacobine Geel. Zij heeft de woorden gekozen omdat ze merkt dat het haar in deze tijd, waarin zij genoodzaakt is haar werk vanuit huis te doen – het kost haar moeite om de dagelijkse dingen op orde te houden. De structuur is weggevallen. De verleiding is aanwezig om de boel te laten versloffen. Gerhardt beschrijft in haar gedicht hoe de dagelijkse arbeid – hoe moeizaam soms ook – een gevoel van voldoening kan geven, ja, zelfs een ervaring van genade kan zijn. Voor Jacobine Geel is dat een heilzame gedachte. Ik lees het gedicht voor u.

Ik houd het linnen blank. Maar als ik in de laden

de geurige stapels strakker in hun vouwen schik,

treedt Gij soms achter mij. De glans van Uw genade

glijdt over werk en hand, en zoekt het wachtend ik.

Een reuk van eeuwigheid is vleugend om die uren,

dat werkeloos geleund tegen de donkere kast,

gereinigd door de rust van dit verzonken turen,

ik tot de stilte ontwaak en naar Uw gaven tast.

Het valt mij soms zo zwaar, ’t werk in zijn stugge ronden.

Maar het voldragen vers zegt voor die strengheid dank,

zo vaak Uw trouw mijn huis, mijn arbeid heeft gevonden.

Gij weet mij bij mijn werk: ik houd het linnen blank.

Hebben we in deze tijd, een tijd waarin een ieder van ons zoekt naar een nieuw en zinvol dagritme, heeft het geloof ons in deze tijd nog iets te zeggen? Of verglijdt dat ook, zoals er meer dagelijkse routine is weggegleden? 

Het kan nooit kwaad om de verzen uit Micha die Annelies voor ons las ‒ het kan nooit kwaad om die prachtige verzen te lezen en te herlezen (Micha 4,1-5). De zwaarden die worden omgesmeed tot ploegscharen; niemand die meer weet wat oorlog is; een ieder die rustig onder zijn wijnstok en vijgenboom zit: het is een prachtig visioen over ‘de dag die eens zal komen’, waarop het rijk van vrede aanbreekt. In de bijbelse traditie is dit een krachtig beeld ‒ hetzelfde tafereel schetst de profeet Jesaja aan het begin van zijn boek (Jesaja 2,1-5). Misschien geven de teksten van deze twee profeten ‒ Micha en Jesaja ‒ wel een antwoord op mijn eerdere vraag over wat het geloof ons te bieden heeft in deze verstilde tijd. De teksten bieden uitzicht ‒ ze bieden uitzicht op een wereld waarin het schouder aan schouder optrekken en de onderlinge betrokkenheid het gewonnen hebben van het misbruik van macht en van wapens.

We staan aan het begin van de week van 4 en 5 mei. Het zullen dit jaar zéér bijzondere dagen zijn, omdat we niet gezamenlijk kunnen herdenken en vieren. Het zal stil zijn op de Dam in Amsterdam. Er is geen publiek. Er wordt ons gevraagd om vanuit ons eigen huis in gedachten bij de slachtoffers van oorlog te zijn. Geen bevrijdingsfestivals. Het vrijheidsvuur wordt dit jaar digitaal verspreid.

Dat wij, nu wij niet vrij zijn om te gaan en staan waar we willen, dat we het visioen voor ogen houden dat eens de dag zal aanbreken dat wij elkaar weer ontmoeten kunnen. De dag dat het sociaal afstand houden tot het verleden behoort. Daarop hopen we. Daarvoor bidden we.

Amen

Plaats een reactie





Gerelateerd