14 mei 2020

Tekst overweging 10 mei

Geschreven door Raymond Pichon

Gemeente, U allen die luisterend met ons verbonden bent,

 

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ‘t gras, mijn thee gedronken,

mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd ‒

laat mij daar midden uit de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

(Overgenomen uit: Dichters van deze tijd, Amsterdam/Antwerpen 1977, p. 11).

Het gedicht De moeder de vrouw. Van Martinus Nijhoff. Uit 1934.

Wij hebben allemaal een moeder. Wij zijn niet allemaal moeder. Er zijn vrouwen die, ongewild, nooit moeder zijn geworden. Vrouwen die een kind verloren hebben. Er zijn vrouwen die nooit kinderen hebben gekregen maar voor velen, tot op de dag van vandaag, als een moeder zijn.

Er zijn vrouwen die voor hun eigen kinderen geen moeder waren. Ik ken een vader tegen wie eens, op het schoolplein is gezegd: ‘Nee, maar jij. Jij bent een moeder!’ En in onze Canadese familie hebben wij net een achternichtje verwelkomd dat twee vaders heeft. U begrijpt ondertussen waar ik naar toe wil: ik wil met u nadenken over ‘de moeder de vrouw’. En daarmee bedoel ik niet per se iets biologisch.

Miriam las voor ons uit het bijbelboek Spreuken (Spreuken 31,10-31). De vertalers hebben boven de passage gezet: ‘Loflied op de sterke vrouw’. Maar in mijn oude bijbeltje, dat nog van de moeder van mijn moeder is geweest, staat boven diezelfde tekst: ‘De lof der degelijke huisvrouw’. Het is een vertaling uit 1951. ‘Degelijke huisvrouw’ staat erboven. U hóórt in die titel de mentaliteit uit de jaren vijftig van de vorige eeuw meeklinken. Het is de bestemming van de vrouw om ervoor te zorgen dat zij thuis de boel netjes aan kant heeft en dat het haar huisgenoten aan niets ontbreekt. Ik betwijfel of deze passage uit Spreuken bedoeld is om een beeld te presenteren van de ideale huisvrouw in de vijftiger jaren. En in onze tijd is, als ik me niet vergis, ‘huisvrouw’ zelfs een woord dat helemaal in onbruik is geraakt.

Wat heeft de tekst uit Spreuken ons vandaag de dag te zeggen? Wat mij treft, is dat de daar geportretteerde vrouw een bekwame zakenvrouw is. ‘Handeldrijven gaat haar heel goed af’ (Spreuken 31,18). Dus niet alleen binnenshuis staat ze haar mannetje, maar ook daarbuiten. Ze spint en weeft en naait. Ze koopt een akker en plant een wijngaard van haar zelf verdiende geld. Ze bezorgt iedereen warme kleding en bereidt voldoende eten. Maar ze kijkt niet alleen naar haar eigen huishouden om. Ze bekommert zich ook om het lot van mensen die het minder hebben getroffen. Diaconale arbeid is haar niet vreemd (Spreuken 31,20).

Nu moet ik natuurlijk niet doen alsof het loflied op de sterke vrouw uit Spreuken een feministisch pamflet avant la lettre is. Dat is niet zo. Hoe veelzijdig haar activiteiten ook waren, dat alles stond in dienst van het werk van haar man. Haar werk kwam hém ten goede, als hij neerzat en vergaderde met de andere mannen in de poort.

De tekst is een zogenaamd acrostichon – een letterdicht: iedere dichtregel begint met een volgende letter uit het alfabet. Het is dus poëzie. Geen historisch verslag van de vrouw in het Oude Nabije Oosten, maar een schilderij.

Spreuken hoort tot de zogenaamde wijsheidsliteratuur, een genre dat in die tijd in die wereld bekend was. Aan het slot van de passage lezen we waarin de kracht van deze vrouw schuilt ‒ in haar wijsheid. Het is een verwijzing naar het begin van het boek, waarin de wijsheid als een vrouw wordt voorgesteld (Spreuken 1,20-23):

Wijsheid roept in de straten,

over de pleinen klinkt haar stem,

ze laat zich horen bij de poorten,

te midden van alle rumoer roept ze uit:

‘Hoe lang nog, onnozele mensen,

hechten jullie aan je onvolwassenheid,

willen jullie, spotters, blijven spotten,

haten jullie, dwazen, kennis?

Luister, neem mijn berispingen ter harte ‒

dan stort ik mijn geest over je uit,

dan laat ik je delen in mijn wijsheid (…).’

Vrouwe Wijsheid ‒ een ideaaltype ‒ vrouwe Wijsheid debiteert geen kennis uit boeken. Háár wijsheid is praktisch van aard ‒ het woord ‘levenskunst’ past beter. Deze vrouw weet wat er in de wereld te koop is. Haar onderricht is liefdevol. Charme en schoonheid zijn vluchtig. Maar een sterke vrouw, die haar kracht ontleent aan ontzag voor de Eeuwige, die blaas je niet omver. Zij staat stevig omdat zij put uit een bron die haar handelen richting geeft. ‘Je naaste liefhebben als jezelf’ (Leviticus 19,18) vormt er het hart van.

‘Fier’ kwam ik tegen in een beschrijving van deze vrouw uit Spreuken, Dat is precies het goede woord: zij is een ‘fiere’ vrouw. Zo fier als de vrouw die de ik-figuur uit het gedicht van Nijhoff op het dek ziet staan. Alleen, bij het roer. Hij vernam haar stem. Zij zong psalmen. Het roept het beeld van zijn moeder bij hem op. De dichter verwoordt een verlangen waarvan ik vermoed dat een ieder van ons het herkennen kan: het verlangen om geborgen te zijn bij zo’n sterke moederfiguur.

Amen

Plaats een reactie





Gerelateerd