20 april 2020

Tekst overweging 19 april

Geschreven door Raymond Pichon

Hieronder kunt u de tekst van de overweging, uitgesproken door Annemarieke van der Woude, tijdens de luisterdienst van 19 April nalezen.

Gemeente, U allen die luisterend met ons verbonden bent,

H.J.M.: dat zijn mijn voorletters.

H.J.M.: Hendrika Johanna Maria – mijn doopnamen. Ik ben vernoemd naar mijn beide grootmoeders. Hendrika Johanna heette de ene; Johanna Maria heette de andere. Mijn ene oma – ‘Beppe’ moet ik eigenlijk zeggen – mijn Beppe stierf toen ik zes was. Van haar herinner ik me niet veel. Mijn andere oma overleed toen ik 29 was – haar heb ik nog helder voor de geest. En bovendien: haar dressoir; haar naaidoos; haar stoof; haar kookboek van de Huishoudschool aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag – met haar eigen aantekeningen ernaast gekriebeld – haar mooie bestek en haar borden met een gouden randje: het maakt nu allemaal deel uit van ons huishouden. In die spullen is mijn oma nog altijd bij me.

De namen die ik bij mijn doop ontving, herinneren mij aan mijn beide grootmoeders. Ik draag hun namen met trots.

Deze zondag, de zondag na Pasen, heet op de kerkelijke kalender: beloken Pasen. Mooi woord: ‘beloken’. Het komt van ‘beluiken’ en betekent zoveel als: ‘de luiken toedoen’. In de vroege kerk werden mensen in de Paasnacht gedoopt. De Veertigdagentijd stond in het teken van het geloofsonderricht, die dus uitliep op de feestelijke doop in de Paaswake. Tijdens die nachtelijke doop hadden de ‘geloofsleerlingen’ witte kleren aangekregen, als teken van hun nieuwe leven. Die droegen ze acht dagen – het Paasoctaaf – en zo lang duurde ook het feest. Op de achtste dag – vandaag dus – werd het feest afgesloten en werden de gedoopten opgenomen in de gemeente.

Maar nu heeft u nog geen antwoord op de vraag wat dat ‘beluiken’ van ‘beloken Pasen’ betekent. Dat verwijst naar de gewoonte om op het feest van Pasen de luiken van de grote altaarstukken in de middeleeuwse kerken open te klappen. De verrezen Heer werd aan de gemeente getoond. Op de achtste dag werden die luiken weer gesloten – ‘beloken’.

Tegenwoordig komt het weer vaker voor dat iemand in de Paasnacht wordt gedoopt. De mensen die getuige zijn van dat feest, denken terug aan hun eigen doop en bezinnen zich op de betekenis daarvan in hun leven vandaag de dag – het is, bij wijze van spreken, een hernieuwing van hun doopbelofte.

Ja, op deze zondagochtend wil ik met u nadenken over de doop. Ik realiseer me dat niet een ieder van u gedoopt zal zijn. Dat vind ik ook niet echt belangrijk. Het gaat erom dat u zich, op de een of andere manier, betrokken voelt bij de kerk. Misschien bent u een regelmatige kerkbezoeker. Of bent u inmiddels een trouwe luisteraar. Hoe dan ook, ons allen gaat de vraag aan, of we nu wel of niet besprenkeld zijn met het water van de doop: ‘Wat trekt ons in een geloofsgemeenschap?’ ‘Waarom oriënteren wij ons op wat er daar gezegd en gedaan wordt?’

In de doop maak je, in rituele handelingen, de gang mee van Goede Vrijdag naar Pasen. Je oude zelf leg je af. Die wordt begraven. Je nieuwe zelf staat op en vindt zijn plaats in een gemeenschap die probeert Jezus na te volgen. Of, in een prachtige formulering die ik ergens tegenkwam: ‘Het gaat om mensen van vroeger en nu, (…) mensen die leven in de ruimte van Gods koninkrijk.’ Gedoopte mensen, maar ik formuleer het met opzet breder: mensen die zich verbonden voelen met een geloofsgemeenschap, allen gaan een nieuwe werkelijkheid binnen – Gods werkelijkheid – een werkelijkheid waarin aandacht voor de Eeuwige en aandacht voor elkaar hand in hand gaan.

Op deze zondag van ‘beloken Pasen’ las Lieuwe voor ons twee verhalen over de opgestane Jezus die verschijnt – eerst aan de leerlingen (Johannes 20,19-23), daarna aan Thomas (Johannes 20,24-29). Op Paasochtend hoorden we al hoe hij bij het graf aan Maria Magdalena verschenen was (Johannes 20,1-18) en hoe Maria een vreugdekreet slaakte dat zij de Heer had gezien. Ook in de beide verschijningen waarover we vanochtend hoorden, draait het opnieuw om ‘zien’. Ik noemde dat eerder een ‘zien’ met als kwaliteit: leren ‘kijken achter de dingen’. 

De moeilijkste zin uit deze passage vind ik Jezus’ reactie op Thomas. Nadat Thomas tot het inzicht is gekomen dat het werkelijk de gekruisigde is die lééft, zegt Jezus: ‘omdat je mij gezien hebt ben je gaan geloven; zalig die niet zien, en geloven!’ (Johannes 20,29; Naardense Bijbel). Alsof dat geloof van Thomas toch een beetje tweederangs is. Hij moest eerst het bewijs hebben van de wonden aan Jezus’ handen en aan zijn zijde, voordat hij zich gewonnen geeft. Precies zoals in de uitdrukking die wij ontlenen aan dit vers: ‘Eerst zien, dan geloven.’

Maar ik denk dat deze woorden niet zozeer iets zeggen over de manier waarop Thomas tot geloof gekomen is, maar dat de camera van het verhaal zich verplaatst. Eerst naar het gehoor van Johannes – mensen die al zo’n zestig jaar ná de dood van Jezus leefden. Ook zij hebben Hem dus nooit met eigen ogen gezien. Maar over hun hoofden heen verplaatst de camera zich ook naar ons, lezers en toehoorders in een tijd die mijlenver verwijderd is van die van Jezus. En als je in die omstandigheid, zónder Jezus ooit gezien te hebben, geloven kunt, dan is dat klasse.

Door de doop hebben mijn ouders mij verbonden met de geloofsgemeenschap van alle tijden. Door mij te vernoemen naar mijn beide grootmoeders, hebben zij mij ook verbonden met de traditie van mijn familie. Nu we, op de achtste Paasdag, naar oude gewoonte, het feest van de doop afsluiten, klinkt de uitnodiging aan een ieder van ons om in te gaan op waar de doop voor staat: te gaan leven in de ruimte van Gods koninkrijk. En daar te realiseren, samen met de gemeenschap waarmee je je verbonden voelt, – daar te realiseren wat in het gewone leven onmogelijk lijkt: dat het leven, en de liefde – dat zij sterker zijn dan de dood.

Plaats een reactie





Gerelateerd